Saturday, 1 December 2018

Oude zielen

Geschreven voor 'Eindhovens Schrijftalent' 2018
Thema Eindhovense Geschiedenis


Hard en koud word ik genoemd. Misschien word je dat vanzelf als je zoveel hebt meegemaakt als ik. Alsof alle ervaringen langzaam indikken en verharden, je flexibiliteit verhardt. De scherpe randjes slijten, maar ook je ziel. Zielloos, vinden ze me. Ach, wie weet wat werkelijk bezieling is? Weet jij het? Ik observeer en zie het allemaal gebeuren en weet dat aan het einde ik er nog steeds zal zijn en jij waarschijnlijk niet.

Mijn eerste herinnering? Ik brak en viel, in het water van de Dommel, waar ik lang bleef liggen. Koud en eenzaam zonk ik langzaam weg in het moeras, de bodem nergens voelbaar. Net voor ik kopje onder ging werd ik eruit getrokken door passanten en te drogen gelegd in de zon. Bewonderend werd ik bekeken terwijl ik de warmte en energie van de zon in mij opnam en mij steeds beter voelde. De passenten bleken kanunniken van Sint Augustinus te zijn, onderweg naar hun nieuwe klooster. Ze hadden medelijden met me en ik werd opgenomen in hun klooster. Ondanks hun goede zorgen kon ik daar niet aarden en voelde me al gauw vergeten, in de hoek gelegd. Ik wilde me niet schikken in het kloosterleven en ging niet naar de mis. Ze dulden mij, maar mijn roeping kon ik daar niet vinden. Toch bleef ik langer dan ik wilde, waar kon ik anders heen? Ik vreesde dat ik gedoemd was de rest van mijn leven in het klooster te slijten, tot de dag dat ik gezien werd door de bouwmeester van Jan van Schoonvorst. Hij zag kwaliteiten in mij die de monniken over het hoofd hadden gezien. Hij prees mijn stevige houding en uithoudingsvermogen en wilde mij graag meenemen. Ik liet me uiteraard van mijn beste kant zien en kwam zodoende bij hem in dienst. Jarenlang heb ik trouw voor hem gewerkt, een hoeksteen van de samenleving. Mijn belangrijkste taak was het verstevigen van de vestingwallen, die meerdere belegeringen moesten kunnen doorstaan. Ik was gelukkig, en dacht dat ik mijn roeping in mijn leven gevonden had.

Wat een verdriet heb ik gehad van het afbreken van deze wallen na het beleg van Eindhoven, in 1583. Ik weet het nog precies, steen voor steen werd neergehaald. Natuurlijk, het was goed dat het beleg voorbij was. Het feit dat de burgers zich veilig konden voelen was natuurlijk belangrijker dan mooie vestingwal. Maar na het neerhalen van de wallen voelde ik me nutteloos en wederom vergeten, grijs en oud, en afgedankt.

Mijn hele levensverhaal? Wil je dat echt horen? Nee, dat ga ik je niet vertellen. Dat is trouwens saai en langdradig en het zou je maar vervelen. Je zou het denk ik niet begrijpen, alhoewel je veel begrijpt. Teleurgesteld in het leven trok ik me terug in de natuur. Daar deed ik mijn best zo min mogelijk op te vallen. Dat lukte me goed, ik heb niet veel nodig. Op een vaste plek onder mijn boom zag ik de seizoenen aan mij voorbij trekken. De eerste lente kwam, daarna de zomer, de herfst, de winter en weer de lente. Keer op keer vielen de bladeren op mijn hoofd, ik liet ze meestal liggen, de wind blies ze er wel weer af. De zon verwarmde me, regen stroomde langs me heen, de sneeuw liet me koud. Het kon me allemaal niet veel meer schelen. Af en toe bood ik steun aan vermoeide reizigers. Soms vertelden die mij verhalen over wat er in de wereld gebeurde. Vaak begreep ik niet goed waar ze het over hadden, stoommachines, automobielen, elektriciteit. Een hele zomer lang zocht een verliefd stelletje de schaduw van mijn boom op en kwam naast mij zitten. Ik verwonderde me over de hoepelrokken van de vrouw en de stijve boord van de man, wat ongemakkelijk. Ik verwonderde me ook over hun preutsheid, dat was in mijn jonge jaren wel anders. Maar goed, tijden veranderen, of misschien was het mijn aanwezigheid. En tijden blijven veranderen, de hoepelrokken verdwenen, blote benen verschenen. Van preutsheid was ook geen sprake meer, ik vond het allemaal best. Ik hoorde verhalen over de opkomt van de industrie en het verval, de opkomst van de kenniseconomie die vast ook wel weer zal vallen. Onder mijn boom werd gezucht, gehuild, gelachen en ik hoorde het allemaal aan.

Jaren bekeek ik het leven van anderen vanonder mijn boom en zag het aan mij voorbijtrekken. De natuur leefde met mij mee, de bladeren vielen, de gevallen bladeren rotten weg en nieuwe lagen vielen. Vogels bouwden nesten en broedden eieren uit. De jonge vogels vlogen uit en bouwden nieuwe nesten, of ze vielen te pletter, het was mij om het even. Alles leek steeds sneller te gaan, oude bomen vielen om en nieuwe bomen groeiden. Zelf mijn eigen boom woei om tijdens een hevige storm. Er is geen nieuwe boom voor terug gekomen, het werd lastiger mij schuil te houden en op gegeven moment werd ik ontdekt. Tegen mijn zin in werd ik meegenomen, relocatie noemden ze dat. Net als in het begin van mijn leven werd ik naar een klooster gebracht, dit keer het Clarissenklooster vlak bij de Dommel. Daar zouden daklozen worden opgevangen. Maar het bestemmingsplan werd gewijzigd hoorde ik, terwijl ik geduldig in een hoekje voor de poort lag.
Daar lig ik nu, op deze hete nazomer dag in september. Ik ga bijna schuil onder het plastic wat zich in deze winderige hoek verzamelt. En dan kom jij aanlopen! Je hebt me horen roepen, ben je de enige die mij kan horen? Je haalt me onder het vuil vandaan en tilt me op.
‘He, bah joh, laat liggen!’ roept je moeder.
‘Maar kijk, mam, hij past perfect bij mijn hut! Mag ik hem meenemen?’
Je moeder zucht, jij kijkt haar aan met je grote bruine ogen. Je moeder zucht opnieuw, ‘OK vooruit dan maar.’
Jij zucht ook, onder mijn gewicht, en kijkt naar mij met je mooie ogen die dwars door me heen lijken te kijken.
Heel zachtjes fluister je, ‘Je bent prachtig, dank dat je me geroepen hebt. Ik wist het wel, stenen hebben ook een ziel.’