Saturday, 1 December 2018

Oude zielen

Geschreven voor 'Eindhovens Schrijftalent' 2018
Thema Eindhovense Geschiedenis


Hard en koud word ik genoemd. Misschien word je dat vanzelf als je zoveel hebt meegemaakt als ik. Alsof alle ervaringen langzaam indikken en verharden, je flexibiliteit verhardt. De scherpe randjes slijten, maar ook je ziel. Zielloos, vinden ze me. Ach, wie weet wat werkelijk bezieling is? Weet jij het? Ik observeer en zie het allemaal gebeuren en weet dat aan het einde ik er nog steeds zal zijn en jij waarschijnlijk niet.

Mijn eerste herinnering? Ik brak en viel, in het water van de Dommel, waar ik lang bleef liggen. Koud en eenzaam zonk ik langzaam weg in het moeras, de bodem nergens voelbaar. Net voor ik kopje onder ging werd ik eruit getrokken door passanten en te drogen gelegd in de zon. Bewonderend werd ik bekeken terwijl ik de warmte en energie van de zon in mij opnam en mij steeds beter voelde. De passenten bleken kanunniken van Sint Augustinus te zijn, onderweg naar hun nieuwe klooster. Ze hadden medelijden met me en ik werd opgenomen in hun klooster. Ondanks hun goede zorgen kon ik daar niet aarden en voelde me al gauw vergeten, in de hoek gelegd. Ik wilde me niet schikken in het kloosterleven en ging niet naar de mis. Ze dulden mij, maar mijn roeping kon ik daar niet vinden. Toch bleef ik langer dan ik wilde, waar kon ik anders heen? Ik vreesde dat ik gedoemd was de rest van mijn leven in het klooster te slijten, tot de dag dat ik gezien werd door de bouwmeester van Jan van Schoonvorst. Hij zag kwaliteiten in mij die de monniken over het hoofd hadden gezien. Hij prees mijn stevige houding en uithoudingsvermogen en wilde mij graag meenemen. Ik liet me uiteraard van mijn beste kant zien en kwam zodoende bij hem in dienst. Jarenlang heb ik trouw voor hem gewerkt, een hoeksteen van de samenleving. Mijn belangrijkste taak was het verstevigen van de vestingwallen, die meerdere belegeringen moesten kunnen doorstaan. Ik was gelukkig, en dacht dat ik mijn roeping in mijn leven gevonden had.

Wat een verdriet heb ik gehad van het afbreken van deze wallen na het beleg van Eindhoven, in 1583. Ik weet het nog precies, steen voor steen werd neergehaald. Natuurlijk, het was goed dat het beleg voorbij was. Het feit dat de burgers zich veilig konden voelen was natuurlijk belangrijker dan mooie vestingwal. Maar na het neerhalen van de wallen voelde ik me nutteloos en wederom vergeten, grijs en oud, en afgedankt.

Mijn hele levensverhaal? Wil je dat echt horen? Nee, dat ga ik je niet vertellen. Dat is trouwens saai en langdradig en het zou je maar vervelen. Je zou het denk ik niet begrijpen, alhoewel je veel begrijpt. Teleurgesteld in het leven trok ik me terug in de natuur. Daar deed ik mijn best zo min mogelijk op te vallen. Dat lukte me goed, ik heb niet veel nodig. Op een vaste plek onder mijn boom zag ik de seizoenen aan mij voorbij trekken. De eerste lente kwam, daarna de zomer, de herfst, de winter en weer de lente. Keer op keer vielen de bladeren op mijn hoofd, ik liet ze meestal liggen, de wind blies ze er wel weer af. De zon verwarmde me, regen stroomde langs me heen, de sneeuw liet me koud. Het kon me allemaal niet veel meer schelen. Af en toe bood ik steun aan vermoeide reizigers. Soms vertelden die mij verhalen over wat er in de wereld gebeurde. Vaak begreep ik niet goed waar ze het over hadden, stoommachines, automobielen, elektriciteit. Een hele zomer lang zocht een verliefd stelletje de schaduw van mijn boom op en kwam naast mij zitten. Ik verwonderde me over de hoepelrokken van de vrouw en de stijve boord van de man, wat ongemakkelijk. Ik verwonderde me ook over hun preutsheid, dat was in mijn jonge jaren wel anders. Maar goed, tijden veranderen, of misschien was het mijn aanwezigheid. En tijden blijven veranderen, de hoepelrokken verdwenen, blote benen verschenen. Van preutsheid was ook geen sprake meer, ik vond het allemaal best. Ik hoorde verhalen over de opkomt van de industrie en het verval, de opkomst van de kenniseconomie die vast ook wel weer zal vallen. Onder mijn boom werd gezucht, gehuild, gelachen en ik hoorde het allemaal aan.

Jaren bekeek ik het leven van anderen vanonder mijn boom en zag het aan mij voorbijtrekken. De natuur leefde met mij mee, de bladeren vielen, de gevallen bladeren rotten weg en nieuwe lagen vielen. Vogels bouwden nesten en broedden eieren uit. De jonge vogels vlogen uit en bouwden nieuwe nesten, of ze vielen te pletter, het was mij om het even. Alles leek steeds sneller te gaan, oude bomen vielen om en nieuwe bomen groeiden. Zelf mijn eigen boom woei om tijdens een hevige storm. Er is geen nieuwe boom voor terug gekomen, het werd lastiger mij schuil te houden en op gegeven moment werd ik ontdekt. Tegen mijn zin in werd ik meegenomen, relocatie noemden ze dat. Net als in het begin van mijn leven werd ik naar een klooster gebracht, dit keer het Clarissenklooster vlak bij de Dommel. Daar zouden daklozen worden opgevangen. Maar het bestemmingsplan werd gewijzigd hoorde ik, terwijl ik geduldig in een hoekje voor de poort lag.
Daar lig ik nu, op deze hete nazomer dag in september. Ik ga bijna schuil onder het plastic wat zich in deze winderige hoek verzamelt. En dan kom jij aanlopen! Je hebt me horen roepen, ben je de enige die mij kan horen? Je haalt me onder het vuil vandaan en tilt me op.
‘He, bah joh, laat liggen!’ roept je moeder.
‘Maar kijk, mam, hij past perfect bij mijn hut! Mag ik hem meenemen?’
Je moeder zucht, jij kijkt haar aan met je grote bruine ogen. Je moeder zucht opnieuw, ‘OK vooruit dan maar.’
Jij zucht ook, onder mijn gewicht, en kijkt naar mij met je mooie ogen die dwars door me heen lijken te kijken.
Heel zachtjes fluister je, ‘Je bent prachtig, dank dat je me geroepen hebt. Ik wist het wel, stenen hebben ook een ziel.’




Thursday, 4 January 2018

So much better than this

A very dark story, partly inspired by an image from a dream.


The blood is still streaming down the street, three weeks after it happened. I wonder if they kill a pig every day to keep the memory fresh. The dark red fluid sticks to my feet and makes it hard to walk, but I have to be here. It is night and my house is just around the corner, uphill. The darkness turns the blood to black while I scuffle around the corner, my back towards the walls. I have no wish to be seen, not after what happened here. The smell is abhorring, nauseating. I keep my nose covered, only my eyes could betray me if anyone looked closely. But there is no one around, this place is tainted by its events. ‘We are better than this, so much better than this!’, the voices keep running around in my head. I’m almost there, nobody here. Yet I hear a soft whining sound from inside the house, almost inaudible. She waits for me.

I see the bloody streaks on the doorknob, smears made by my hands, three weeks ago. Fingerprints for the police if they would be interested. They are not. They leave this neighbourhood alone, there is no justice here, only survival. The door is still unlocked, my bloody footprints going in and out on top of each other from my recent visits are leaving a trail. I don’t dare to come every day, but as often as I can, because she needs me. She has always needed me, that is how it happened. She was sitting in a corner, beaten and frightened. My family kicked her and were yelling at her. ‘We are better than this!’ I shouted at my brother and sister. They just laughed. My mother told me to shut up and my father asked me if I would like to join her. ‘So much better than this,’ I whispered while I sneaked away, upstairs to the relative safety of the first floor. Another kick, more laughter, she screamed, it sounded almost human. Human! Those people downstairs, they should have been better than that.

‘Stop it!’ I shouted from the top of the stairs. My brother took two steps up and I ran for the bathroom and locked the door, trembling. I closed my eyes and saw her sitting in the corner, downstairs. Her green eyes big with fear, not able to defend herself. All she had was me. Sitting on the floor, my back against the door I suddenly saw it. It must have fallen down and slid under the cabinet, my brothers missing knife. He had beaten up my sister over it, claiming she had stolen it, which wasn’t so far from the truth. Lying flat on my stomach I could just reach it, it made a clicking sound when I opened it. Something shifted, I didn’t feel so small anymore, nor frightened all the time.

‘We are better than this! You have to stop it!’ Again I was standing on the top of the stairs. This time my father came out and laughed when he saw me standing there with the knife held high. Good, I thought, he is the biggest shit of them all, he is first. I took a leap and landed on top of him. He was totally surprised, didn’t see it coming. The knife was sharp. The first pool of blood appeared at the bottom of the stairs. He didn’t even make a sound. The sudden silence alarmed my mother, who came out of the room next. She was second. She tried to scream, but all she made was a small puffing sound. ‘We are better than this,’ were my last words to her. I looked around the corner of the living room door and saw my brother, totally absorbed in his wicked game, trying to lure the little one out of her corner. My sister turned around and saw the blood, a little pool of red creeping inside the living room from under the half-open door. And then she saw me, sliding in, blood dripping from my hand, from the knife, dripping down my arm and making a trail while it dripped from my elbow to the ground. Even she was caught by surprise. ‘What the devil…’ ‘So… much… better… than… this…’
Every word emphasized by a stab. 

That alarmed my brother, I didn’t have time to finish my sister off properly. My brother was a real nasty job. He turned around and went for me, almost knocked me off my feet. I ducked underneath, finally having the advantage of my small posture, making a nasty slash at the inside of his knee. He stumbled, that was all I needed. After him, I finished off my sister. I looked her in her fading eye. ‘You! You, you both, really, really should have been better than this.’
I wept a bit and tended to my little one in the corner. She was still afraid and wouldn’t leave the corner.

There was so much blood, it streamed through the crack in the wall into the street. The bloodstream alarmed the neighbours. While I was hiding upstairs, they came in and took the bodies away. I don’t know what they did with those, probably sold them. After it all happened, I couldn’t stay in the house, just couldn’t. But she wouldn’t move, couldn’t move, she was hurt. I had to leave her behind.

So I come here, like a thief in the night, as often as I can and take care of her. Feeding her, tending to her wounds. I think she is getting better, but still in pain. She is so much better than they were, so much more loving. When she looks up to me with her big green eyes and purrs when I feed her, I know she is my only friend. My family said I just imagined her, but I know that is just a lie. They were all liars, vicious liars. People should be better than that. 

Saturday, 11 November 2017

Schemering

The 2017 Contest for 'Eindhoven's Schrijftalent' focussed on stories about light. My story about a man who gets totally frustrated about a street lamp got rewarded with a nomination. As it was a Dutch contest, the story is also in Dutch.



Dus nu is het altijd schemering, nooit meer nacht, denkt hij. Hij kijkt door zijn slaapkamerraam naar buiten. De straat is heel mooi geworden, wat weinig parkeerplaatsen, dat wel. De stoep valt tegen, deze is smaller geworden, waardoor de buurtbewoners onbedoeld elkaars huiskamers binnen kijken en de bakfietsen werkelijk niet meer op stoep kunnen staan. Hij had zo gehoopt dat met de nieuwe bestrating ook het lantaarnlicht zou worden aangepast. Hij haatte het vuile groenige licht dat ’s avonds de straten bescheen, ziekelijk, een sfeer scheppend die in een horrorfilm niet zou misstaan. Dat zou toch beter moeten kunnen in een stad die de lichtstad van Nederland genoemd wordt, de bakermat van de grote gloeilampenfabriek. Producten Hopeloos Iedere Lamp Is Praktisch Stuk grapten ze in zijn jeugd. Hij is een echt Philipskind van hoogopgeleide ouders, de techniek zit hem in het bloed. Zijn beide ouders hebben iets met research gedaan en het was niet meer dan logisch dat hij na zijn studie aan de Technische Universiteit op de High Tech Campus ging werken, research uiteraard. Mistroostig staart hij over de straat, in het felle licht van de nieuwe straatlantaarn.

Hij heeft een hekel aan veranderingen en is blij dat hij zijn hele leven in dezelfde stad heeft kunnen blijven wonen, alhoewel de stad zelf hard aan het veranderen is. Zelfs zijn eigen kleine buurtje, waar eerst de sociale huurwoningen verdwenen en vervangen werden door blokkendozen en nu zelfs de straat waar hij woont een grote opknapbeurt heeft gekregen. Gek van het lawaai werd hij, blij dat hij kon vluchten naar zijn vertrouwde werkplek op de High Tech Campus. Ook zijn werk is veranderd. Waar hij vroeger in alle rust kon werken, wordt hij nu gedwongen regelmatig vergaderingen bij te wonen, presentaties te geven en zelfs met anderen samen te werken. Anderen die totaal niet begrijpen waar hij mee bezig is, gewoon omdat ze de materie niet beheersen.

Daar wil hij nu niet over denken, hij wil slapen! Hij houdt van regelmaat en rust. Half 12 naar bed en half 8 weer op, iedere dag, ook in het weekend. Een wekker heeft hij niet nodig, hij wordt altijd vanzelf precies op tijd wakker. Zeventien dagen geleden werd hij bruut gewekt door herrie onder zijn slaapkamerraam, 7 uur ’s ochtends! De stratenmakers waren weer terug. Met veel kabaal werden enkele stoeptegels rondom de lantarenpaal gelicht. Zou het dan echt gebeuren? Zou hij eindelijk van het groenige licht verlost worden? Nou vooruit, daarvoor wilde hij wel een keertje eerder opstaan. Door zijn openstaande slaapkamerraam hoorde hij de buurman mopperen op de statemakers.
‘Jongens, jongens, kan het wat zachter, ik schrok me rot!’
‘Nou meneer, we hadden er nog aan gedacht bij u aan te bellen, maar we wilden u niet wakker maken.’

Alsof we niet wakker zouden worden van het lawaai, had hij gedacht, de sukkels. Hij was die ochtend iets eerder dan normaal naar zijn werk gegaan, wat hem verbaasde blikken van zijn collega’s had opgeleverd. Hij zei maar liever niets en trok zich terug op zijn werkplek. En ’s avonds stond het ding er, de gloednieuwe lantarenpaal. Wat was hij blij geweest, tot het avond werd. Het leek alsof er een schijnwerper op zijn huis gericht stond. Lange schaduwen vielen door zijn lichte gordijnen heen zijn woonkamer binnen, zijn gang, en zijn slaapkamer.

Nu ligt hij met de gordijnen dicht, de nieuw opgehangen verduisterende rolgordijntjes er extra voor, in de schemering, om half 3 ’s nachts, klaarwakker! De zeventiende nacht zonder slaap. Na de eerste nacht had hij meteen een melding bij de gemeente gemaakt die keurig antwoorde met een mailtje; “Bedankt voor uw melding. Wij proberen het probleem zo snel mogelijk te verhelpen. De afhandelingstermijn van uw melding is afhankelijk van het soort melding en eventuele materialen die besteld moeten worden. Als u uw contactgegevens heeft ingevuld, krijgt u van ons een bericht zodra het probleem is afgerond.” Niets meer gehoord natuurlijk.

Een rat legt na drie weken zonder slaap onherroepelijk het loodje, denk hij. Hij wil die gedachten stoppen, maar merkt dat hij steeds meer moeite heeft om zijn gedachten te controleren. Op zijn werk is hij afgeleid, humeurig, snauwerig, wisselvallig. Hij die altijd de stabiliteit zelve is, voorspelbaar in alles wat hij doet. Hij is al twee keer eerder naar huis gegaan en drie keer na de lunch, met zijn hoofd op zijn opgevouwen armen, zittend aan zijn bureau ingedut. Gedachten malen door zijn hoofd, hij draait en draait, trekt een kussen over zijn hoofd om het licht buiten te sluiten, maar krijgt het benauwd en gooit het kussen door de slaapkamer. Grommend komt hij zijn bed uit en kijkt in de spiegel waar hij een vage schim ziet. Zijn bril ligt nog op het nachtkastje. Ach wat, hij wil zichzelf helemaal niet zien, hij wil slapen.

Krabbend op zijn hoofd loopt hij de kamer uit, de trap af naar beneden. Hij schenkt zichzelf een groot glas rum in, in de hoop dat het hem helpt in slaap te vallen. Hij is geen drinker, maar tot zijn schrik ziet hij dat de fles al bijna leeg is, de fles die al maanden meer dan halfvol in zijn kast stond. Hij neemt het halflege glas mee naar boven, stapt weer in zijn bed, gooit de rum in een grote slok in zijn keel en bedwingt de tranen in zijn ogen. Hij kan wel huilen! Hij wil alleen maar slapen, is dat zoveel gevraagd? Op een avond stond hij met één van zijn stenen schaakstukken in zijn hand voor het open slaperkamerraam. Hij had bijna gegooid, maar bedacht zich dat de lamp dan gewoon weer vervangen zou worden.
Enkele uren later schrikt hij wakker, hij is kennelijk uiteindelijk toch in slaap gevallen, dat is in elk geval iets. De mist in zijn hoofd lijkt wat opgetrokken, vervangen door een vaag kloppend gevoel aan de zijkant van zijn hoofd, dat dan weer wel. Tijd om zich te scheren heeft hij niet meer. Als hij zijn bril heeft opgezet en in de spiegel kijkt om zijn haren te kammen schrikt hij van de man die hem aanstaart, roodomrande ogen, een stoppelbaard, een getergde blik in zijn ogen. Snel wendt hij zijn blik af, loopt naar de kamer, pakt zijn tas van de tafel en gaat de deur uit. Inmiddels is het echt licht geworden en de gehate lantarenpaal is uit.

Zijn elektrische auto begroet hem iets verder in de straat met een piepje en knipperende lampen. Jammer dat hij geen eigen parkeerplaats heeft, gelukkig kan hij de auto altijd bij zijn werk opladen. Naast het korte ritje van zijn huis naar de High Tech Campus rijdt hij trouwens niet veel. Ondanks de lichte hoofdpijn merkt hij dat de enkele uren slaap hem goed gedaan hebben, zijn hoofd is helderder dan het in dagen geweest is. Als hij, aangekomen op zijn werk, de stekker van zijn auto inplugt springt er een klein vonkje over. In eerste instantie schrikt hij hiervan, maar dan opeens schiet er een gedachte in zijn hoofd die hem de hele dag niet meer zal loslaten. Wat heen kan, kan ook terug! Hij gaat er zowaar van glimlachen.
Met een grijns op zijn gezicht stapt hij zijn laboratorium binnen, begroet zijn collega, die hem een bezorgde blik toewerpt.
‘Nog een beetje geslapen?’
‘Een beetje.’

Hij vermoedt dat ze expres een vrouw bij hem op de kamer hebben gezet om hem wat losser te maken, wat socialer. In heb begin deed ze werkelijk haar best, veinsde interesse in zijn werk en zijn persoonlijke leven. Op dat laatste ving ze altijd bot, hij praat nu eenmaal niet graag over persoonlijke zaken. Maar goed, enkele algemeenheden over vakanties, het weer en dat soort dingen kunnen er wel af, hij heeft geleerd dat dat op prijs gesteld wordt. En eerlijk gezegd, ze is een van de weinigen die ook iets snapt van zijn werk, misschien is ze daarom wel bij hem op de kamer gezet, als vertaler naar de rest van het team zeg maar.
‘Wil je koffie? Wat heen kan, kan ook terug,’ zegt hij, weer met die grijns.
‘Wat?’
‘Als ik nu koffie voor je ga halen, dan stroomt de koffie onder uit het apparaat nietwaar?’
‘Eh, ja...’ Zijn collega bijt vertwijfeld op haar rood gestifte lip, niet snappend waar hij heen wil.
‘Maar stel dat we de zwaartekracht om zouden keren, dan zou de koffie de andere kant op stromen nietwaar?’
‘Ja, inderdaad.’ Haar gezicht klaart op, aan dit soort gedachtenoefeningen van hem is ze wel gewend.
‘Hebben we nog van die nano processoren hier? Die van ons vorige project.’
‘Ik denk het wel, waarvoor?’
‘Dat leg ik je zo uit, eerst koffie halen. We gaan samen iets geweldigs doen!’
Ze glimlacht vriendelijk naar hem, waarschijnlijk denkt ze aan de bonus die ze zal ontvangen als het haar gaat lukken om hem echt te laten samenwerken. Maakt niet uit, hij heeft haar nodig voor dit project, ze is een goede programmeur.

Tot zijn stomme verbazing is hij de rest van de dag goed gehumeurd. De hoofdpijn is weggetrokken en hij merkt dat hij het zowaar prettig vindt zijn collega in zijn gedachtegang te betrekken. Het feit dat wat ze hier aan het doen zijn eigenlijk illegaal is, lijkt haar extra enthousiast te maken. Vreemd, hij weet eigenlijk helemaal niet zo veel van haar. Misschien moet hij toch iets persoonlijker worden en haar ook eens iets anders vragen dan of ze koffie of thee wil en of het raam open of dicht moet. Om vier uur ’s middags kijkt ze hem stralend aan en zegt, ‘Dit zou het moeten doen, wil je het nog testen?’
‘Nee, dat zou het riskanter maken.’
‘Dus vanavond?’
‘Ja, vanavond,’ zegt hij, ‘dan moet het gebeuren.’
Bijna omhelst hij haar als hij weg gaat, maar dat zou te ver gaan. Hij steekt zijn duim op en glimlacht naar haar.
‘Staat je trouwens best goed, die stoppelbaard, zou je vaker moeten doen!’ roept ze hem na.

Tevreden loopt hij over het terrein naar zijn auto. Het loshalen van de stekker kost wat meer tijd dan gewoonlijk. Zachtjes mompelt hij enkele woorden, alsof hij een bezwering loslaat. Niet dat hij daar in gelooft, maar toch. Ondertussen stuurt hij het kleine stukje techniek waar ze de hele dag samen aan hebben gewerkt het elektriciteitsnet in. Het begint al een beetje te schemeren als hij aansluit bij de file op de N2. De lantarenpalen zijn aan als hij zijn straat inrijdt, even fel schijnend als de afgelopen nachten. Hij parkeert zijn auto, loopt naar zijn huis en steekt zijn sleutel in het slot. Op dat moment dimmen alle lantarens in zijn straat naar een zacht gouden schijnsel.

Perfecte timing, denkt hij, en stapt tevreden zijn huis binnen. Vanavond zal hij slapen, het kleine wonder van techniek heeft zijn werk gedaan. Wat heen kan, kan ook terug, gewoon een kwestie van goed gericht programmeerwerk, en een beetje inventiviteit. Hij voelt een golf van enthousiasme door hem heen spoelen. Als dit werkt, wat kan er dan nog meer? Beelden van onbegrensde mogelijkheden tuimelen door zijn hoofd. Morgen mijn collega maar eens uitnodigen voor wat meer schemerig werk, denkt hij, ze schijnt er van te houden. Kort daarna valt hij, in het gouden licht van de straatlantaren, op zijn bank in slaap. De gordijnen zijn nog open.

Saturday, 22 July 2017

Drumbeat

Remember my story Taurus? It never really stopped talking to me. So here is a follow-up on that story, also inspired by two pictures I found on the internet.

Sorry, couldn't find the artists name for this one.

The drumbeat keeps going on, there is no way to shut it out. I know it’s not really there, it is just the beating of my heart. I want it to stop. I’m hiding, yes me, hiding. The big hideous monster of the labyrinth is hiding. I don’t want to see their faces anymore, the young people who remind me of better days, days when the sun was shining and I was running and playing in the fields. I guess the sun is still out there, I haven’t seen it for years. There is some light coming from above here, in the higher tunnels, that’s one of the reasons I like to sit here, hide here, at least a little bit of light, shining on my pale skin. I look at the shadows of my hands, falling on my feet. I look so human, every part of my body, as far as I can see, is human and yet they all call me a monster. Is it my unnatural pale skin that frightens them? I tend to forget what I really look like, I haven’t seen my reflection for such a long time. Sometimes I see it in their eyes, wide spread with terror.

And what do I see on those occasions? Two dark brown eyes with big lashes, curly hair on the top of my head, big wide ears, a long nose. Maybe not the prettiest face. It is not that what scares them, it's not even my nostrils and my horns next to my ears. My bulls head is gentle enough. It is the abnormality of my appearance, it is what I am, an abomination of nature, half human, half bull. And the tales, of course, the tales. According to the tales, I am a cruel man-eating monster. Mothers tell their children, be good or the king will send you to the labyrinth to be eaten by the monster. By me, who has been a vegetarian all my life! Although my stomach is human and can process meat, my teeth are not made for it! I like to eat my vegetables raw, chew on them for minutes.

The beat grows louder, I am afraid. The beat becomes faster. It is not my own heartbeat anymore. I really want it to stop. I don’t want to be confronted with the youngster anymore, not with my memories. And not with my hunger! There is some water dripping from the walls, I lick it up, it saves me from dehydration. But the hunger, nothing to eat! Nothing grows in these dark tunnels. The rumbling of my stomach mingles with the beating of the drums, both getting louder. They are getting closer, why did they bring drums? Hoping to scare me off? They must have seen the bones, the remains of the others. I don’t want to eat any of them anymore, it disgusts me, chewing on their flesh for minutes, making it even harder to swallow. But it is the only food I get, the only way of surviving.

I stare at my hands and feet, so much like theirs. No, I cannot do it another time, eat the same hands, the same feet. I am human! I am not a monster, I have never been a monster, they made me that! I’ll just stay here, hiding. Hoping they won’t find me. They’ll be damned anyway, no one finds their way out of the labyrinth. But it won’t be me this time, I’m done with it. Starvation is just another way of suicide, the only way of suicide in this godforsaken labyrinth. The drum is fading, it is just my heartbeat again, slowly dying. 


Picture: At the end of the Labyrinth by Ivan Kap

Monday, 14 November 2016

Dagenloze dagen (God bless America)

In Dutch this time. Dayless days just didn't sound right...


Het zijn de dagenloze dagen,
De wolken ondoordringbaar dik,
Het wil nog maar niet lichter worden,
De grijsheid houdt hardnekkig vol,
Het wordt geen dag vandaag.

Op dikke grijze dekens,
Oneindig wevend uit mijn raam,
Verschijnen mijn herinneringen,
Zich voegend zich naar het wolkendek,
Troosteloos en eindeloos,
Geen enkel straaltje licht.

Het zijn de dagenloze dagen,
De ergste die er zijn,
Ze willen maar niet lichter worden,
Geen eind en geen begin,
Alleen maar schemering.

Ik sluit mijn ogen half en zie je staan,
De wind waait door je haren,
Ik wil het niet meer zien.
Dat beeld van lang geleden,
Als messen in mijn maag,
Het wordt niet licht vandaag.

De wind waait door je haren,
Je waant je groot en sterk.
Je mond vertrekt zich tot een lach,
Je ogen doen niet mee en blijven hard,
Je haren zijn verward.

Ze zeiden dat het beter werd,
Ze zeiden dat het overging.
Achter de wolken schijnt te zon,
Ach hou toch op, wat weten zij ervan.
Het licht komt nooit meer terug.

Je lach te hard en waant je sterk,
Je ziet me niet eens staan.
En toen opeens vergreep je je,
Je greep me in mijn kruis,
Terwijl de wind nog door je haren blies,
Je kneep en kneep, je deed me pijn.

Het was zo’n dagenloze dag,
De wind woei door je haar,
Je kneep zo hard en zag me niet,
De messen in mijn buik, alleen voor mij.
Je lachte hard en kil, je ogen bleven koud.

Het wil nog maar niet lichter worden,
Het doet nog steeds zo’n pijn.
De grijze dekens helpen niets,
Je waant je nog steeds groot en sterk

En ik… ik keer me om, mijn kamer in,
Ik kots en kots en kots uit de herinnering
Ik wil je nooit meer zien, niet hier, niet daar,
En zelfs niet op het wolkendek,
De wind niet in je haar, nooit meer!
Kil licht, geen licht, nooit meer.

De dagenloze dag keert weer.

Friday, 24 June 2016

Hibernation

I wrote this story for ASU's Climate Fiction Contest. After the downpours of this month, it becomes less and less fiction.
Picture by me, taken at our local Zoo.


As a child I used to think hibernation was a good thing. I envied the polar bears their months of uninterrupted sleep, until my mother told me only brown bears hibernate. Now there are no polar bears to envy anymore, except the ones living in the Winterland theme parks on the floating islands. I have no reason to envy any of these majestic animals, except maybe the fact that they do not have to hibernate.

My month of life is almost over. Never, as a teenager, did I imagine lifetime would be rationed. There seemed to be an endless stretch of life - you were born, grew old and then, in an abstract future, you died. That’s the problem with future, until you live it, it always seems unreal, abstract, hard to imagine. I guess that is the genuine reason why we never really saw it coming, despite the many warnings and predictions, this world we live in now.
‘Next stop, EuroIsland, end station of this tour. Please make sure to take all your belongings and upload your evaluation to our system before leaving Paradise. We will be disembarking within two hours.’

Some PR agency must have had a lot of fun, creating the names of the floating islands; Paradise, Utopia, Nirvana, Shangri-La and of course Walhalla for the Winterland park.
With hindsight I wonder how we could be so ignorant. We knew we were exhausting the planet of its supplies, we knew we were heating up the climate, but nobody believed it would happen in their lifetime, the disasters. We all shut our eyes to the facts, came with different explanations, invented fairy-tales to shush ourselves to sleep.

‘Noah, we have to hurry! We will be floating over Amsterdam within an hour! Now is not the time to be dreaming again.’
My beautiful wife Olivia grabs me by the arm and pulls me to my feet. At the age of 60 she still looks as good as when I met her years ago, one of the perks of our modern lifestyle. Being awake only a few weeks each year is definitely slowing down the aging process. Another perk? Waking up next to your wife after nine months of sleep makes it so much easier to live together in harmony. Nobody had predicted the divorce rate going down when hibernation became mandatory. People are so bad at overseeing consequences.

‘Noah! You’re doing it again. It almost makes me wonder if you’re still believe in our plan,’ Olivia hisses in my ear. ‘You already seem to be drifting into hibernation.’
‘Sorry, I was just thinking. Remembering life before…’
I see it in her eyes, she too remembers life before the big flood, before the storms and rising of the sea levels. It all happened so fast, whole countries swept of the world map within a few years, many people drowning and even more trying to move away, filling the resisting land with refugees. Soon we didn’t have continents anymore, only islands. Our lovely city of Amsterdam, already built beneath sea level, was one of the first to go. Due to the fact that Olivia and I were both doing research on subjects that seemed to matter, we got asylum in Switzerland. There I could continue my work on human engineering and Olivia her research on nanohacking. Soon overpopulation and hence starvation was becoming such a pressing issue that another world war was predicted. And this time it seemed inevitable.

At that time my childhood fascination with hibernation had grown into a real field of research, started as postponement treatment for incurable diseases. Then it was embraced by world leaders as a solution for overpopulation. Today every human being is granted a yearly month of real life on one of the floating islands, made out of the debris after the floods. After this month, you are induced into a state of low energy consuming hibernation. Your body is asleep and only a small part of your brain is conscious, enough for some essential mental work to be done. All physical labour is belongs to a bygone age, we have sunpowered robots now.

‘Noah, you’re hopeless. We have to move now! We are already floating over Wales, we are getting closer. Remember, we are on a tight schedule.’
‘But what if... what if the children…’
‘No, you’re not going to chicken out last minute, are you? The children can take care of themselves, they will follow. But we have to go first, you know that. We have been practicing for weeks now, it will work! You did an excellent job at it.’
Yes it did work, we have been swimming in the artificial lagoons of Paradise like all the other people, diving and admiring the underwater world. Every day we have been taking our little pills, manufactured by Olivia and myself. We had to be careful. Nobody can know we were not using our oxygen tanks, but adjusting our bodies to breathing under water. I wish we had more time for testing. I hand over a small bottle of pills to Olivia, to hide somewhere in her clothes, like I did this morning.

‘They should work long enough. But darling, I am still a bit worried about the side effects.’
Olivia looks at me, I know she is worried too. She doesn’t seem to have them, those side effects, but I appear to be drifting into the past more and more, my mind wandering.
‘You shouldn’t worry about that. What really worries me, to be honest…’
‘Shush,’ I whisper and kiss her lightly on the lips. ‘Darling, I will miss you when we go into hibernation again!’ I declare loudly, as one of the deck robots rolls by. They have excellent hearing. Then I whisper again, ‘to be honest, you worry that the hacking of our chips won’t work,’ I finish her sentence. ‘I know you do, I don’t, I trust you. You are the best.’
Clinging tightly together I feel a little stab in neck, Olivia just implemented her little nanobots that are going to hack my nanochip, programmed to become active the minute we drift over Amsterdam. I know she injected herself already. The bots will reprogram the chips, trick them into sending of a signal that pretends we come home to our little flat in Davos, Switzerland, exactly at the estimated time.

Tenderly Olivia strokes my hair and looks into my eyes. ‘You are wonderful, I am so happy to dive into this adventure with you.’ I listen to the warm and rich voice of my wife, maybe for the last time. Speaking under water is something I haven’t figured out yet. Outwardly very calm, we walk to the boulevard at the edge of Paradise and look down in the ocean. We are just passing London. I can see us floating over the Big Ben and the London Eye. We are getting closer, I hold Olivia’s hand tight. After all these years of research, planning, testing, our moment is almost there. We are sitting on the embankment, our feet dangling above the water, peering down. We both take our pills at the moment we are floating over the once so famous Dutch dykes. A bit later we silently slip into the water and dive, swimming down with all the force we have. There it is, Amsterdam just as I remember it, sunken under the water. I see our old street coming near as I keep swimming down. There’s our old house. I smile at Olivia as we swim through a gap that used to be a window. We are home!

As a child I used to think hibernation was a good thing. Now that I know what hibernation really is, I never want to go that way again. I’d rather die. I know the kids won’t be coming. Olivia knows too, the pills won’t work that long.


Sunday, 29 May 2016

Cloudburst

Inspired by a dream and the interactive installation project my students are working on. Picture from the internet, the source is written at the right side or the picture.


They keep falling out of the sky, little buglike creatures. Their half transparent, fist sized bodies land on my balcony and I look at them with amazement and disgust. As soon as they hit the concrete floor they start crawling, like spiders, fist sized spiders. I shiver and start counting their creepy legs, only six, no spiders after all. But what are they? Those jelly, yellowish, sixlegged spidery beings? I’m glad there is a window between us. They keep raining down and crawling all over the building, the streets below must be filled with their small bodies by now, where are the going? And where do they come from?

For a moment I just want to close the curtains, shut them out, pretend they are not here. Nonetheless I just stand there, staring at my balcony, unable to move. Finally I turn around, the dark yellow light from the sky conflicts the blue light emitted by my computer screen, a huge screen taking up almost all the space on the wall opposing my window. Somewhere in the middle the lights meet, enlightening my highly efficient apartment with a sick green color. I try to remember what I was working on earlier, before the bugs started raining down.

Something bangs on my window, I startle, are the bugs coming in? A big moth landed on the window, now looking inside, scanning me. I take a step back, away from the window, back to my computer feeling the urge to do something, although I have no clue what to do. The moth flutters to the balcony and lands between the jellyfish bugs giving me a clear view of its wings. They do not look mothlike at all, not fragile and soft, but hard and scaly. It’s iridescent blue glow reminds me of my computer screen. ‘This is the queen!’ I am quite sure of this, don’t know how, don’t know why. This is the queen, the central brain of the bugs.

A beeping sound enters my mind, small beeps, long and short like a Morse code. Is the queen communicating with me? That sort of makes sense, the light in my rooms starts to pulse together with the sounds, blue again, coming from my screen. I turn around and look at it, look at an image of a luminous creature, pulsing. I never learned Morse code, but my computer translates it. ‘Cloudburst,’ it says. ‘Cloudburst. Cloudburst. Cloudburst.’

Did I do this? I look back at the queen moth, she seems to nod. It is still raining bugs, the moth spreads her wings, shaking the bugs off. I was working, have been working for hours, probably days straight, when all this started to happen, working on something big and complicated. It must have gone wrong. I walk over to my table and hit the ‘escape’ button. ‘Data overload’ appears on my screen. I hit ‘back’. ‘Are you sure you want to upload?’ askes my computer. I choose ‘No’.

The sky lightens up, the queen moth starts to shimmer, spreading her wings and flying away. Even before she has flown out of sight her image is gone, and so have the bugs. So this is what it looks like. I have been warned about it, the risk of causing a cloudburst while working on this project. Never imaged it to be like this. Time to turn the computer off, I need a break.